De antwerpenaar en zijn burgemeester
Als ik door de straten loop en mensen ontmoet, kijken die me wel eens aan. Meestal volgt dan een blik van herkenning. Dikwijls loop ik aan allerlei dingen te denken en merk ik dat niet op. Dat komt erg onvriendelijk over, ook al is het niet zo bedoeld. Ik zit gewoon met mijn gedachten op een andere plek: de volgende vergadering, iets dat ik dringend moet afwerken, een telefoontje dat nog moet gebeuren. Naarmate ik langer burgemeester ben, probeer ik meer om de mensen die me aankijken gewoon goeiedag te zeggen. De meeste mensen knikken dan vriendelijk terug. Dikwijls volgt er een sympathieke lach, een grapje over Beerschot of Antwerp, of een opmerking over het laatste kranteninterview of televisieoptreden. De gemiddelde Antwerpenaar is zeer vriendelijk voor zijn burgemeester en dat is best aangenaam. Slechts heel soms kom ik mensen tegen die zichzelf openlijk tot “het andere kamp” rekenen.Ik loop op de Grote Markt voorbij het terras van Den Engel en zie twee al wat oudere vrouwen gezellig met een bolleke aan een tafeltje zitten. Ik merk dat ze me herkennen, knik vriendelijk en lach even. Eén van de vrouwen kijkt me recht in de ogen en zegt brutaal: “Neeje, wij ni, wij zén Blokkers.” Ik antwoord: “Das niks madame, niemand is perfect.” Zij weer: “En gij zeker ni!” Ik schiet in een lach, want het lijkt wel een dialoog van Gaston en Leo. Maar ten gronde vind ik het een verdrietige anekdote. Twee mensen die samen dezelfde Grote Markt, hetzelfde café en hetzelfde bier delen, die mekaar verder van haar noch pluim kennen, maar het toch nodig vinden een woordenwisseling te hebben waaruit blijkt dat ze niks van mekaar moeten weten.
Maar goed. Democratie is, ook op lokaal niveau, een proces van vallen en opstaan. Dat zal ook in de toekomst zo blijven, zeker in Antwerpen. Onze ervaringen met een stabielere meerderheid, een minder conflicterende gemeenteraad en een open dialoog met de georganiseerde burgers stemmen me in ieder geval optimistisch. Antwerpen hoeft niet de verdeelde stad te blijven, die het vandaag soms nog te veel is. Want dikwijls is de kloof tussen de mensen die tegenover mekaar staan, kleiner dan het op het eerste gezicht lijkt. Antwerpenaars staan niet altijd met getrokken messen tegenover mekaar zoals ‘de dikken’ en ‘de dunnen’ op het Eiland Amoras van Willy Vandersteen. De bevestiging hiervan komt soms op onverwachte momenten.
In de Zuiderkroon worden de eretekens voor de arbeid aan de dokwerkers uitgereikt. Zoals dat past, wordt er na de officiële plichtplegingen nog een stevige pint gedronken. De sfeer wordt snel losser en gemoedelijker. De decibels gaan naar boven. Een goed uit de kluiten gewassen dokwerker wenkt me en ik ga met mijn pintje in de hand aan zijn tafeltje staan. “Patje, ik stem ver ’t Vloms Blok mor gij moet a gin zorgen maken. Gij mut burgemeester blijven! Da komt allemol in orde.”