Jongensscholen en emancipatie

We mogen meningsverschillen tussen de gemeenschappen niet tot het godsdienstige aspect herleiden. Bijgevolg moet niet altijd de pastoor, de dominee, de imam of de rabbijn in beeld komen. De vertegenwoordigers van de gemeenschappen moeten geen religieuze leiders zijn. Integendeel: dat mensen en groepen worden vertegenwoordigd door anderen dan religieuze leiders, is precies een onderdeel van de zo gewenste emancipatie. De verschillende gemeenschappen en de stad hebben alles te winnen bij sterke seculiere en levensbeschouwelijke (belangen)organisaties die in de gemeenschappen de emancipatie vorm kunnen geven. Zo is het ook met de emancipatie van veel Vlaamse bevolkingsgroepen gegaan.

Veel jongere Vlamingen zijn wellicht al vergeten hoeveel organisaties als de Katholieke Arbeidersvrouwenbeweging (KAV) of de Socialistische Vooruitziende Vrouwen (SVV) hebben bijgedragen aan de ontvoogding van de Vlaamse vrouwen, wat de Katholieke Arbeidersjeugd, de Rode Valken, de scouts of de Chiro voor de Vlaamse jeugd hebben betekend, en welke enorme rol de vakbonden hebben gespeeld in de ontvoogding van de werknemers. Veel latere topmensen, niet in het minst in de politiek, komen uit deze bewegingen. We vergeten soms ook te snel hoeveel tientallen jaren die emancipatiestrijd heeft geduurd – en hoe partieel hij nog maar is gelukt.

Maar het begrip voor het verleden kan en mag geen excuus zijn om terug achteruit te gaan. Een goede lezing van de geschiedenis moet ons wel leren om tijd te geven aan een aantal complexe processen, die veel vragen van de mensen om wie het allemaal draait. Op de universiteit na heb ik mijn volledig onderwijs genoten op een school waar alleen jongens werden toegelaten. In het in Vlaanderen dominante katholieke net is het gemengd onderwijs slechts een verworvenheid van de jongste decennia. We moeten anderen dus niet achterlijk vinden omdat ze het moeilijk hebben met gemengd onderwijs – tenzij we vinden dat wij dat zelf dertig jaar geleden ook waren.

Maar het gemengd onderwijs is intussen gelukkig verworven. De terugkeer naar apart onderwijs voor jongens en meisjes is onwenselijk. En als de vraag al zou rijzen, moeten we er niet aan toegeven. Net zoals we niet mogen toegeven aan mensen die vanuit religieuze motieven vrouwen op straat aanspreken omdat hun armen niet bedekt zijn. En net zoals we niet mogen tolereren dat sommigen hun godsdienst of cultuur inroepen om vrouwen en meisjes die er kortgerokt bijlopen, voor hoer uit te maken of om homo’s en lesbiennes lastig te vallen.

Soms leidt ons goedbedoelde begrip voor verschillende godsdiensten tot overdreven tolerantie of pudeur. Zo kreeg ik als burgemeester de vraag wat ik ervan vond dat sommige werknemers van de stad de kleedkamers van hun dienst gebruikten om hun gebed te doen. Blijkbaar vond de dienstleiding het te delicaat om zelf in te grijpen en te zeggen dat stadsgebouwen daar niet voor dienen. Toch lijkt het me niet zo moeilijk om daar een klare en voor iedereen met wat goede wil aanvaardbare houding in aan te nemen. Dat godsdiensten voorschrijven dat mensen een aantal keer per dag moeten of mogen bidden, is geen probleem. Maar dat moet niet op het werk gebeuren. De meeste mensen werken, afgerond, acht van de 24 uren die een dag telt. Als godsdienstige plichten zo belangrijk zijn (en dat wil ik best aannemen), dan blijft er nog twee keer meer tijd om te bidden dan om te werken.

Eenzelfde logica geldt voor hoofddoeken. Er is een veelheid aan redenen waarom vrouwen (en mannen) uit verschillende gemeenschappen met verschillende geloofsovertuigingen, hun hoofd bedekken. En het is zeker waar dat de discussie over de toelaatbaarheid van hoofddoeken voor sommige jonge vrouwen de aantrekkelijkheid van dat hoofddoek heeft verhoogd. Het werd een symbool van verzet of identiteit, of van vrijheid voor de meisjes die hun ouders willen geruststellen dat ze op het goede pad zijn. Zo zijn de heftigste tegenstanders van de hoofddoek mee verantwoordelijk voor het oprukken ervan in de publieke ruimte. Laat ons ook dit debat dus met een beetje minder fanatisme van beide kanten kruiden. Maar ook hier lijkt het me, ondanks mijn begrip, niet gepast om hoofddoeken (of andere religieuze of politieke symbolen) te laten dragen bij de uitoefening van publieke functies, die de neutraliteit van de overheid moeten uitstralen (politie, loketbedienden…).

Vandaag moeten we durven toegeven dat we op een verkrampte manier met deze nieuwe diversiteit omgaan. We doen aan de ene kant te weinig inspanningen om volwaardige participatie op de arbeidsmarkt en in het onderwijs echt te laten slagen. De stad moet hier zelf het voorbeeld geven. Aan de andere kant vragen we soms te weinig inspanningen van de nieuwkomers om hun deel van de verantwoordelijkheid te nemen, om behalve de rechten ook de plichten te aanvaarden, en om solidair in ons systeem van sociale zekerheid te zijn. Wie (in ons geval) voor Antwerpen kiest, moet dat ten volle doen. Dat is een keuze voor een moderne stad en voor een aantal basiswaarden die we niet willen prijsgeven. Dat migratie leidt tot dubbelzinnigheden inzake loyaliteit, is heel begrijpelijk. Maar dat deze keuze ook voor de tweede en derde generatie zo verscheurend blijft, is ongewoon. En ongewenst. De toekomst van wie naar Antwerpen is gekomen (of hier via zijn ouders is beland), kan en moet hier liggen. Dit veronderstelt ook een ondubbelzinnige keuze voor Antwerpen, voor onze stad.