hoffelijke politie met veel contact met de bevolking

'Hey, deurrije daar!' roept een wat oudere politieman op de Turnhoutsebaan. 'Jamaar, ik wacht hier op mijn vrouw die bij de bank binnen is', antwoordde de beteuterde automobilist. 'Deurrije of hoorde ni goe?' Het is frappant dat de Antwerpse politie de grootste successen boekt wanneer ze erin slaagt de anonimiteit van de grootstad te doorbreken. De cel jongerencriminaliteit is gedetailleerd geïnformeerd over de paar honderd risicojongeren - en die jongeren weten dat ook. De voetbalcel kent de hooligans bij naam - en de voetbalvandalen weten dat ook. Naarmate de relschoppers bij ordeverstoringen beter bekend zijn, krijgt de politie de zaak ook sneller onder controle - en de relschoppers weten dat. Het is met andere woorden mogelijk en noodzakelijk dat het stedelijk korps de anonimiteit van de stad doorbreekt. Dat is interessant en moet het beleid inspireren om de werking van de politie bij te sturen. Wat de Antwerpenaar verlangt van zijn korps, is vaak heel anders dan wat de politiemensen denken dat de verwachtingen zijn. Iemand die een inbraak of diefstal komt aangeven, beseft best wel dat de politie niet altijd de gestolen spullen kan terugbrengen of de daders in een-twee-drie kan aanhouden. Zo realistisch zijn mensen wel. Maar wie een aangifte doet, wil wel onder alle omstandigheden serieus worden genomen. Mensen willen dat er naar hen wordt geluisterd. Ze willen begrip en vragen om op de hoogte te blijven van wat er nog met die aangifte gebeurt. Wie het slachtoffer werd van een misdrijf, wil niet van de politie vernemen dat er nu geen tijd is voor een aangifte en dat hij later maar eens moet terugkomen. Slachtoffers willen niet horen dat het zinloos is om nog een aangifte te doen, want dat de daders toch nooit worden gevat. En nog veel minder willen ze horen dat ze nu wel zullen weten voor welke partij ze de volgende keer moeten stemmen. De Antwerpenaar is volwassen en realistisch. Hij wil dan ook een volwassen relatie met zijn politiekorps en zijn stadsbestuur, en geen anoniem apparaat dat hem beschouwt als een vervelende klant. De waardering voor het politiewerk hangt in grote mate af van de kwaliteit van het contact tussen bevolking en politie, en vooral van het onthaal op het politiekantoor. Mensen die een onaangenaam contact met de politie hadden, hebben een veel negatiever beeld van het korps dan zij die helemaal geen contact hadden. Vooral bij aangiften heeft de manier waarop de individuele politieman of -vrouw met de mensen omgaat, een doorslaggevende invloed op de appreciatie van het hele Antwerpse korps. Deze bevindingen zijn een geweldige kans voor het korps. Het is dus belangrijk om zoveel mogelijk positieve contacten te leggen met de bevolking. Daar moeten we de komende jaren hard aan werken, zonder de al goed georganiseerde bestrijding van de criminaliteit uit het oog te verliezen. Positieve contacten stimuleren het vertrouwen in de politie en hebben dus een positieve invloed op het (on)veiligheidsgevoel. Het is één van de grootste opdrachten van de Antwerpse politie om de komende jaren haar relatie met de Antwerpse bevolking grondig te herdenken, het aantal contacten op te voeren en de kwaliteit ervan te verhogen. Dat kan alleen lukken als het korps een uniforme stijl ontwikkelt, waarin klantvriendelijkheid centraal staat. Kijkers van 'Het leven zoals het is' herinneren zich ongetwijfeld nog de al wat oudere politieman die op de Turnhoutsebaan van aan de overzijde een foutief geparkeerde automobilist aanmaande om door te rijden. 'Hey, deurrije daar!' 'Jamaar, ik wacht hier op mijn vrouw die bij de bank binnen is', antwoordde de beteuterde automobilist. 'Deurrije of hoorde ni goe?' was het veelzeggende antwoord. Vanzelfsprekend stond de automobilist fout gestationeerd en uiteraard moest de politieman optreden. Maar dat had hij ook op een beleefde en correcte manier kunnen doen.